Bel 024-7600 760

Koper en verkoper hebben een koopovereenkomst gesloten terzake een bovenwoning. In de overeenkomst is een ouderdomsclausule opgenomen. Na overdracht van de woning blijkt dat de verdiepingsvloer van de bovenwoning is doorgebogen. Hierdoor is er sprake van instortingsgevaar en moet een compleet nieuwe verdiepingsvloer worden aangebracht. De koper stelt de verkoper aansprakelijk voor de schade op grond van de non-conformiteit van de woning. De verkoper beroept zich op de ouderdomsclausule in het koopcontract. Hieruit volgt namelijk dat Bouwkundige kwaliteitsgebreken die samenhangen met de ouderdom van de woning niet leiden tot non-conformiteit. In zekere mate dient de koper op grond van deze clausule rekening te houden met ouderdomsgebreken.
In geschil staat de precieze reikwijdte van de ouderdomsclausule. De rechtbank Den Haag geeft aan dat er sprake is van instortingsgevaar. In een dergelijk geval geldt dat de verkoper aan de ouderdomsclausule redelijkerwijs niet die zin heeft mogen toekennen dan ook een dergelijke extreme situatie onder de ouderdomsclausule zou vallen.
Dit houdt in dat de koper de koopovereenkomst gedeeltelijk kan ontbinden met het gevolg dat de koper een deel van de koopprijs terug krijgt. Dit deel is gelijk aan de kosten die nodig waren voor het herstel van de verdiepingsvloer.

Veel ondernemingen bieden hun klanten tegenwoordig gratis WiFi aan. Handig voor de klant én voor de onderneming. Gratis WiFi kan de omzet verhogen en een lunchroom zonder WiFi is bijna ondenkbaar. Maar wat nu als iemand via het WiFi-netwerk illegaal content downloadt waarop auteursrecht rust? Dit overkwam Tobias Mc Fadden, een bedrijfsleider van een Duitse onderneming die licht- en geluidsmateriaal verhuurt. Door een klant werd via het WiFi-netwerk een muziekstuk illegaal gedownload. De auteursrechthebbende, Sony, stelde Mc Fadden voor de inbreuk aansprakelijk en eiste staking van de inbreuk en schadevergoeding.
De auteursrechtschending is niet door Mc Fadden in persoon begaan, maar door een onbekende gebruiker van zijn WiFi-netwerk. Is Mc Fadden indirect aansprakelijk te houden omdat hij zijn WiFi-netwerk niet had beveiligd ? Voor de beantwoording van deze vraag wendde de Duitse rechter zich tot het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU).

In de Europese E-commercerichtlijn uit 2000 staat dat een tussenpersoon die internettoegang biedt, niet aansprakelijk is voor de daarover doorgegeven informatie als wordt voldaan aan een drietal voorwaarden: (1) dat het initiatief tot de doorgifte niet bij de tussenpersoon ligt, (2) dat de ontvanger van de informatie niet door de tussenpersoon wordt bepaald en (3) dat de doorgegeven informatie niet door de tussenpersoon wordt geselecteerd of gewijzigd.

Mc Fadden voldeed aan deze drie voorwaarden. Het HvJEU oordeelde dan ook dat Mc Fadden niet aansprakelijk is voor de auteursrechtinbreuk. Volgens het HvJEU is het echter wel mogelijk dat de auteursrechthebbende, Sony, de tussenpersoon, Mc Fadden, een maatregel laat opleggen om verdere inbreuken te voorkomen: (1) blokkering van de internetaansluiting, (2) een controleverplichting voor alle via de internetaansluiting doorgegeven informatie, of (3) beveiliging van de internetaansluiting met een wachtwoord.

Het HvJEU oordeelt dat er geen volledige blokkering van het WiFi-netwerk verlangd kan worden en dat van een winkelhouder evenmin verwacht kan worden dat hij zijn WiFi-netwerk constant in de gaten houdt. Een passende maatregel is volgens het HvJEU het instellen van een wachtwoord, dat gebruikers niet anoniem kunnen verkrijgen.

Ondernemingen met een gratis WiFi-netwerk zijn dus niet aansprakelijk voor de daarover doorgegeven informatie. Wel kan na een geconstateerde auteursrechtinbreuk de maatregel worden opgelegd dat het WiFi-netwerk moet worden beveiligd. Het is derhalve raadzaam bij een open WiFi-netwerk bijvoorbeeld algemene voorwaarden te hanteren voor het gebruik van het WiFi-netwerk of bepaalde IP-adressen van torrentsites te blokkeren. Een andere mogelijkheid is het instellen van een wachtwoord, dat gebruikers niet anoniem kunnen verkrijgen, maar dat schrikt vaak een hoop gebruikers af.

Artikel 39 lid 1 Fw bepaalt dat in geval van een faillissement van de huurder zowel de verhuurder als de curator de huurovereenkomst tussentijds met inachtneming van een opzegtermijn van maximaal 3 maanden kan doen eindigen. Vanaf de dag van faillietverklaring is de huurprijs dan een boedelschuld. Er bestond discussie over de vraag of artikel 39 Fw ook voor roerende zaken geldt en onlangs heeft de Hoge Raad zich hierover uitgelaten. Het belang van de verhuurder bij betaling van de huurprijs staat tegenover het belang van de boedel bij het niet verder oplopen van de boedelschuld. Artikel 39 lid 1 Fw biedt de curator de mogelijkheid om  lopende huurovereenkomsten op korte termijn te beëindigen, zodat de verschuldigde huur niet verder oploopt. De compensatie voor de  verhuurder bestaat daarin dat de huurpenningen vanaf de dag der faillietverklaring een boedelschuld zijn en dat de verhuurder eveneens het recht toekomt om de huurovereenkomst op grond van artikel 39 lid 1 Fw tussentijds te beëindigen. De Hoge Raad heeft onlangs uitgemaakt dat het artikel niet enkel geldt voor onroerende zaken maar ook voor alle andere lopende huurovereenkomsten. Ook huurovereenkomsten met betrekking tot auto’s, inboedel enz. kunnen dus op deze manier worden opgezegd.

Hier vind u meer over huurrecht

Het Europees merkenbureau (BHIM) heeft geoordeeld dat Spinning in Europa niet meer gezien kan worden als merk maar is verworden tot een soortnaam. Het merk Spinning werd al lange tijd gebruik voor de aanduiding van indoortrainingen op een hometrainer. De bedenker van het concept en merkhouder is de afgelopen jaren onvoldoende opgetreden tegen het gebruik van haar merk. Mede hierdoor is de merknaam tot soortnaam verworden. Overal in Europa wordt de trainingsvorm immers aanduid met te term “Spinning”. Het overgrote deel van het publiek denk bij Spinning ook aan een trainingsvorm en niet aan een merk. Het merk Spinning heeft haar onderscheidend vermogen dan ook in de loop der jaren verloren. Het merk Spinning wordt door het Europees merkenbureau vervallen verklaard. Andere voorbeelden waar ook merkvervaging is opgetreden zijn: “Frisbee”, “Spa” en “Jeep”.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in haar arrest van 9 juli 2013 een beroep op het retentierecht door de verhuurder afgewezen.  Partijen hadden een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een winkelruimte met bijbehorende woning. Wegens financiële problemen was een huurachterstand ontstaan en zijn partijen overeengekomen dat de huurder zou uitzien naar een goedkoper pand. De huurovereenkomst zou per 1 januari 2013 eindigen maar voordat de huurder het pand had ontruimd, heeft verhuurder op 18 december 2012 alle sloten vervangen. Hierdoor kon de huurder niet meer bij haar eigendommen waaronder haar bedrijfsvoorraad. De verhuurder stelde zich op het standpunt dat hij zijn verplichting tot het ter beschikking stellen van het pand opschortte totdat de huurachterstand was betaald. Hij weigerde de huurder toe te laten tot het pand en hij beriep zich op zijn retentierecht. Het Hof stelt dat de verhuurder, behoudens bijzondere omstandigheden, geen retentierecht toekomt (opschortingsrecht) ten aanzien van haar hoofdverplichting (ter beschikking stellen van het pand). Een huurovereenkomst betreffende bedrijfsruimte kan immers niet zonder tussenkomst van de rechter tegen de zin van de huurder worden beëindigd. De verhuurder heeft middels eigenrichting in strijd met het wettelijke stelsel de huur beëindigd door de sloten te vervangen. Hij heeft de goederen die zich nog in het pand bevonden derhalve onrechtmatig onder zich gekregen en kan zich dan ook niet met succes op zijn retentierecht beroepen. De verhuurder dient de goederen aan de huurder af te geven.

Hier vind u meer over huurrecht

Een ondernemer had een nieuw softwarepakket aangeschaft. Het betrof de levering en implementatie van nieuwe administratiesoftware. Nadat de het systeem in gebruik werd genomen, bleek al snel dat het niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen.  De leverancier van de software stelde voor enkel gebreken binnen twee weken te herstellen en adviseerde een alternatieve werkwijze zodat het systeem toch bruikbaar was. Drie weken nadat het voorstel was gedaan had de ondernemer er genoeg van en trok hij de stekker uit het project. Hij nam zijn oude software weer terug in gebruik.

In opdracht van de ondernemer wordt een onderzoek ingesteld naar de bruikbaarheid van het systeem. Uit deze second opinion zou blijken dat het systeem niet geschikt was. De ondernemer stuurt een sommatie naar de leverancier waarin wordt aangedrongen op een bevredigende oplossing. Partijen komen niet tot een oplossing en de ondernemer start een rechtszaak.

De rechtbank geeft aan dat de ondernemer de leverancier nimmer in gebreke heeft gesteld en haar zodoende geen kans heeft gegeven de problemen op te lossen. De brief waarin wordt aangedrongen op een bevredigende oplossing voldoet niet als ingebrekestelling. Er wordt in de brief immers niet aangedrongen op het alsnog leveren van de overeengekomen prestatie. Een bevredigende oplossing kan immers ook een gedeeltelijke compensatie inhouden. De vordering tot ontbinding en schadevergoeding wordt door de rechtbank afgewezen.

Vaak wil men de andere partij geen kans meer geven alsnog deugdelijk te presteren. Men is er vaak “klaar mee”. Het is dan toch van wezenlijk belang dat een ingebrekestelling wordt verstuurd. Hierin moet verzocht worden alsnog deugdelijk te presteren binnen een gestelde termijn. Doet men dit niet dan is de kans groot dat ondanks de wanprestatie geen recht op schadevergoeding bestaat.

Het komt vaak voor dat een onderneming gedreven wordt door een VOF en de VOF hiervoor een huurovereenkomst aangaat. Op een later moment wordt vaak een besloten vennootschap opgericht die de onderneming voortzet. Soms wordt verzuimd de verhuurder hiervan in kennis te stellen, laat staan dat de verhuurder om toestemming wordt gevraagd voor de contractsovername door de B.V. In een procedure bij het Hof Anhem ging het om de vraag of aan de vereisten voor contractsovername (6:159 BW) was voldaan. De twee vereisten zijn dat er tussen de VOF en de B.V. een akte tot overname dient te worden opgesteld en dat de verhuurder toestemming moet verlenen. Het hof merkt op dat aan de akte niet steeds de eis kan worden gesteld dat de huurovereenkomst specifiek wordt genoemd. Wel moet achteraf kunnen worden vastgesteld welke overeenkomst er wordt overgedragen. Ook een samenstel van meerdere akten waaruit de overdracht blijkt, kan als akte in de zin van 6:159 BW dienen. Het tweede vereiste (medewerking verhuurder) is vormvrij en kan ook worden opgemaakt uit de gedragingen of het stilzwijgen van de verhuurder. In casu kon uit de correspondentie tussen partijen worden opgemaakt dat verhuurder had ingestemd met de overname van het huurcontract door de B.V. Daarbij werden de huurpenningen ook vanaf de overname door de B.V. betaald. Ook speelde mee dat verhuurder zich niet eerder op het standpunt had gesteld dat de VOF de contractspartij was en niet de B.V. Het feit dat de verhuurder een bedrijfsmatige verhuurder was die bekend wordt geacht met het verschil in aansprakelijkheid tussen een VOF en een B.V. speelde ook mee. Het blijft echter altijd raadzaam de verhuurder expliciet om toestemming te vragen en de overdracht van de huurovereenkomst in een akte te benoemen.

Hier vind u meer over huurrecht